Hoofdstuk 7 #

Ik stop mijn handen in de zakken van mijn trui en loop op blote voeten door mijn winkel, waar de laatste straaltjes zonlicht zich tussen de rekken vol edelstenen en gedroogde kruiden wurmen. De man in het masker is niet meer teruggekeerd. Ik heb hem maar uit mijn hoofd gezet.
Ook Lot lijkt hem te zijn vergeten; ze rommelt ergens achter in de winkel, tussen de voorraadpotten. Zodra de avond valt, wordt ze actief. Luister maar. Een zacht gerinkel van glas tegen glas, gevolgd door een tevreden miep. Ze is op muizenjacht.
Geen zorgen, ze eet haar prooien niet op. Dat vind ik niet goed. Ze jaagt ze alleen op, de kleine sadist. Straks zal ik wel weer van alles moeten opruimen, maar dat zie ik dan wel weer.
Ik hang het bordje GESLOTEN voor het raam en sluit de gordijnen. Het laatste zonlicht verdwijnt achter het fluweel. Mijn werkdag zit erop. Make-up is eraf, voeten gaan omhoog, glaasje likeur staat klaar op de leestafel. Luna's werkdag moet juist nog beginnen.
Ik ga zitten aan mijn leestafel en neem een slokje van de nieuwste batch. Hmm. Iets zoeter dan de vorige, met een lichte ondertoon van… is dat sterrenkruid? Dat hoort er helemaal niet in. Oma Sybil zou haar wenkbrauw optrekken. Ik neem nog een slok. Oké, het is geen ramp, maar ik ga het niet op het etiket zetten. Naast me ligt mijn notitieboek opengeslagen, de pen krast zachtjes over het papier en tovert mijn gedachten om in woorden op de pagina.
Mijn hoop op een luchtig en romantisch verhaal begint te vervliegen. Die koffer, dat vreemde regenwater en de nieuwsberichten… dat past niet in het plaatje van een feelgood rom-com. Er is iets groters aan de hand. Iets dreigends. En ik weet nog niet precies wat, maar ik voel het zoals je een onweersbui voelt aankomen: door de drukkende stilte ervoor.
Maar goed, laten we beginnen. Ik klem mijn palmsteen van seleniet in mijn hand en sluit mijn ogen. “Gave van mijn bloed, verscherp mijn zicht, reik door het duister en breng het ongeziene aan 't licht.”
De woorden voelen als een sleutel die een slot opent. Altijd hetzelfde versje, altijd hetzelfde effect. Dan komen de beelden en geluiden. Ze rollen binnen als een golf, eerst wazig en onsamenhangend, dan steeds scherper en helderder.

Een bekende plek. De bushalte bij Luna's flatgebouw. De wolken hangen laag en dik boven de daken. Het is gestopt met regenen, maar niets aan deze ochtend voelt opgelucht. Er staat een laagje water in de straat, het komt tot aan de stoeprand.
En het is stil. Geen ochtendstilte waarin de stad langzaam ontwaakt, maar een stilte die opvalt doordat er iets ontbreekt: geen gefladder in de struiken, geen getjilp vanaf de dakgoten. Geen enkele vogel zingt.
Luna merkt het niet, ze is afgeleid door haar eigen gedachten. Ze is blij dat ze na enige twijfel toch haar regenlaarzen heeft aangetrokken, ook al vindt ze ze lelijk en oncomfortabel. Haar regenjas zit in haar rugzak gepropt. Er zaten opgedroogde zoutkristallen op nadat ze hem gisteren te drogen had gehangen. Witte, korrelige vlekjes.
Daar zitten ze, Luna en Will, op het kleine bankje bij de bushalte. Geen koffer te zien. Mooi zo. Luna was verrassend stellig geweest: die koffer mocht niet mee naar Wonderwoud. Gelijk heeft ze. Wat heeft zo'n dubieus geval te zoeken in een sprookjespark voor kinderen?
Ze werd die ochtend wakker met het gevoel dat ze het allemaal gedroomd had. De vreemde man met zijn mysterieuze koffer en zijn nog vreemdere vragen. Te bizar om waar te zijn. Maar toen ze haar flatgebouw verliet, stond Will daar al te wachten bij de ingang. In het ochtendlicht, met een licht linnen shirt aan in plaats van dat leren jack.
Nu zit hij naast haar, zijn been wiebelend alsof hij niet stil kan zitten, zijn blik gericht op de lege straat waar de bus elk moment kan verschijnen.
"Ben je zenuwachtig?" vraagt ze.
Will draait zijn hoofd naar haar toe. "Zenuwachtig? Nee. Ongeduldig, misschien."
Een pauze. Luna frunnikt aan het uiteinde van haar bonte, zelfgemaakte armbandje.
"Wat doe je eigenlijk in Wonderwoud? Je werk?" vraagt Will.
"Oh." Luna laat het touwtje los. "Eh, ik moet ervoor zorgen dat het park netjes blijft," zegt ze. "Mensen gooien hun afval overal maar neer en iemand moet dat opruimen." Ze wijst haar duimen naar zichzelf. "Ik dus."
"Ooit iets ongewoons gezien?"
Luna fronst. "Wat bedoel je met ongewoon?"
"Nou, je weet wel…" Will leunt achterover op het bankje, maar zijn blik blijft op haar gericht. “Iets dat niet mogelijk zou moeten zijn?”
Luna lacht kort. "Wonderwoud zit vol onmogelijke dingen, dat is het hele idee." Ze schudt haar hoofd, haar vlecht zwiept een beetje mee. "Maar het is natuurlijk allemaal nep. Dus nee, niks ongewoons voor een pretpark."
Will zegt niets. Hij kijkt voor zich uit, zijn gezicht onleesbaar. Luna bestudeert hem van opzij. Zijn zwarte haar, de lijn van zijn kaak, de lichte stoppels op zijn wangen. Haar blik blijft iets te lang hangen.
Dan draait hij zijn hoofd naar haar toe. Zijn ogen vangen de hare, een kleine grijns trekt aan zijn mondhoek. Luna's wangen worden warm. Ze kijkt snel weg, voordat ze hem het verkeerde idee geeft.
De stilte hangt tussen hen in tot Luna wijst naar de straat. "Daar is onze bus."
In de verte nadert de stadsbus: groot, blauw, gewoon. Ze staan op van het bankje. Luna pakt haar rugzak en hangt hem over haar schouder. Will kijkt naar de bus alsof het een ruimteschip is. "Groter dan ik dacht…" mompelt hij, zo zacht dat ze het nauwelijks hoort.
De bus komt piepend tot stilstand. Water gutst over de stoeprand en spoelt rond Luna's regenlaarzen. De deuren zoeven open en Luna stapt naar voren.
Ze scant haar OV-pasje. PIEP. Will volgt haar en graait in zijn broekzak. Hij haalt een handvol munten in verschillende valuta tevoorschijn, alsof hij op wereldreis is geweest en van elke bestemming nog wat kleingeld heeft meegenomen.
Hij reikt zijn open hand uit naar de chauffeur, een vrouw van middelbare leeftijd met een diepe frons tussen haar wenkbrauwen. Duidelijk geen ochtendmens.
"Goedemorgen!" zegt Will, veel te opgewekt. "Is dit genoeg voor een kaartje?"
De chauffeur zucht diep. Ze vist de euro’s uit Wills muntenverzameling en geeft hem een dagticket.
"Bedankt." Will houdt het kaartje omhoog en bestudeert het alsof het een archeologische vondst is. "Wat doe ik hiermee?"
Luna wijst naar de scanner naast de deur. "Inchecken. Hier."
Will houdt het kaartje ertegen. PIEP.
"Ha!" Will grijnst breed. "Fascinerend!"
"Sorry hoor…" mompelt Luna tegen de chauffeur.
De buschauffeur kijkt haar aan met vermoeide ogen. "Ik ben wel wat gewend, schat."
De bus trekt op met een ruk. Luna en Will wankelen door het gangpad en grijpen naar de stangen om hun evenwicht te bewaren. Ze vinden stoelen halverwege. Will neemt de plek bij het raam. Zodra hij zit, drukt hij zijn gezicht bijna tegen het glas. Zijn ogen volgen elke auto, elke voetganger, elke lantaarnpaal.
Dan buigt hij zich naar Luna toe en wijst naar de rode knoppen die verspreid door de bus aan de palen zitten.
"Luna," fluistert hij. Zijn lichtbruine ogen zijn groot van nieuwsgierigheid. "Waar zijn die rode knoppen voor?"
Luna fluistert terug, een ondeugende glimlach op haar gezicht. "Voor het confettikanon en de fanfaremuziek."
Wills wenkbrauwen schieten omhoog. "Briljant!" Hij klinkt oprecht enthousiast en hij strekt zijn arm al uit. Dan stopt hij even en denkt na. "Grapje zeker?"
Luna glimlacht. "Om de buschauffeur te laten weten dat je wilt uitstappen."
"Ja, dat klinkt logischer."
Will laat zijn arm zakken en kijkt weer uit het raam, starend naar de voorbijglijdende wereld.
Ik weet niet wat hij denkt, ik ben geen alwetende verteller. Ik mag zijn gedachten niet lezen, als ik dat al kon. Vertelwet nummer drie: Eén ziel wordt je toevertrouwd. Raak geen andere aan. Maar wat ik wel kan oppikken, is wat Luna over Will denkt. En sterren en manen, wat een theorie heeft ze bedacht!
De koffer. Zijn vreemde vragen. De manier waarop hij naar een bus kijkt alsof hij er nog nooit een heeft gezien. Ze voelt zich bijna trots dat ze het heeft uitgevogeld. Will is geen inbreker. Geen man met het verstand van een kind. Hij is een tijdreiziger uit de toekomst.
En niet zomaar een toekomst, o nee, Luna's verbeelding levert geen half werk. Will komt uit een wereld waarin alles al verloren is. Ze heeft de nieuwsberichten gezien, de beelden van ondergelopen dorpjes en verwoeste gewassen. De zoute regen. Dat is nog maar het begin. Will komt uit een wereld die niet meer te redden valt, behalve als je teruggaat. Want dát is waarom hij hier is, in Luna's verbeelding. Hij is teruggekomen, naar dit moment, om het te voorkomen, om de aarde te redden voordat het te laat is. En zij — Luna de Jong, seizoensmedewerker reiniging in Wonderwoud — heeft hem toevallig gevonden. En hij is haar geheim.
Bij de sterren. Ik moet het toegeven, het is een goed verhaal. Had ik maar hetzelfde optimisme.
Bedankt voor je aandacht! #
Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je dan in of volg me om mijn werk te steunen. Ik vind het ook altijd leuk om een berichtje van je te ontvangen!
Lees je liever in het Engels? Er is ook een Engelse vertaling beschikbaar. Klik bovenaan deze pagina op 'Also available in English'.
Bekijk mijn About pagina voor meer info.
💜 - Jasmine
Copyright © 2026 Jasmine Rovik. Alle rechten voorbehouden. Alle teksten en andere inhoud op deze website zijn eigendom van de auteur. Het is niet toegestaan materiaal te kopiëren, te reproduceren, te verspreiden of op enige wijze te gebruiken zonder voorafgaande schriftelijke toestemming. Wil je iets citeren of gebruiken? Neem dan gerust contact op.