Poorten & Paden | Hoofdstuk 8

By jasmine-rovik ·

Hoofdstuk 8 #

"Hier is het," zegt Luna zodra ze de bushalte bij de ingang van Wonderwoud naderen. Will drukt meteen op de rode knop. Ze stappen uit de bus en lopen het laatste stukje naar Wonderwoud.

Daar is het dan. De entree van het park.

Laat me je even meenemen, want dit moet je zien. Er loopt een brede houten ophaalbrug over een grachtje. Normaal gesproken staat er een ondiep laagje water in met her en der een waterlelie, net genoeg om de illusie in stand te houden, maar vandaag staat het hoger. Het water likt aan de rand van de goot, troebel en donkerder dan het zou moeten zijn. De lelies zijn verlept en er hangt een geur die hier niet thuishoort: het zilte en scherpe van zeelucht, hier in dit kleinschalige pretparkje, waar geen zee hoort te zijn.

Luna trekt haar neus op.

De houten brug leidt naar een poort die eruitziet alsof hij rechtstreeks uit een prentenboek is gestapt. Twee torens aan weerszijden, verbonden door een boog met daarop in kleurige letters WONDERWOUD.

De muren zijn bedekt met nep-klimop met roze en gele plastic bloemetjes erin verweven. Boven de poort hangt een grote pop van de parkmascotte: een elf in een groen gewaad en spitse oren. Hij hangt er stil bij, nog niet aangezet. Straks, als het park opengaat, zal hij zwaaien en met een opgenomen stem bezoekers verwelkomen. Maar nu hangt hij daar als een levenloos ornament.

Het park is nog dicht. De kassa's achter de poort zijn donker en verlaten, maar er is wel beweging. Personeel stroomt via verschillende ingangen naar binnen. Sommigen met een koffiebekertje in de hand, anderen gapend.

Will blijft midden op de brug staan.

Zijn enthousiasme van zojuist is verdwenen. Hij heft zijn smartwatch iets omhoog, kijkt ernaar en laat hem dan weer zakken. Zijn blik tast de entree af, van links naar rechts, van boven naar beneden. Onderzoekend.

Luna kijkt naar hem. "Je zei dat je iets zocht?"

"Ja."

Ze wacht even, maar er komt niets verder. "Als je me vertelt wat het is, dan kan ik je helpen zoeken. Ik weet waar de gevonden voorwerpen liggen."

"Nee, niet nodig." Wills blik blijft op de entree gericht. "Ik ga gewoon even rondlopen."

"Oké." Luna heeft geleerd om niet aan te dringen.

Ze lopen verder de brug over. Luna wijst naar links, op een onopvallende deur achter de kassa's. Een grijze deur met in rode letters de tekst GEEN TOEGANG.

"We gaan daar naar binnen," fluistert Luna. Ze werpt een snelle blik om zich heen om te controleren of iemand hen opmerkt. "Als het goed is, komt Vince wat later vandaag."

"Wie?"

"De baas." Luna graait in het voorste vakje van haar rugzak en haalt haar sleutelbos tevoorschijn. Haar badge zit in een plastic houder die tussen haar huissleutels bungelt. "Zodra het park opengaat, wordt het snel druk." Ze aarzelt. "Dan kun je niet meer rustig zoeken zonder over kleuters te struikelen.”

“Ik heb niet lang nodig,” antwoordt Will.

Luna houdt de badge tegen een scanner naast de deur. Een piep en een groen lichtje. Luna duwt de deur open en glipt naar binnen. Will volgt, zijn bewegingen soepel en geruisloos als een kat op muizenjacht. De deur valt achter hen dicht met een zachte klik.

Zo. Binnen.

Ze lopen door een smalle gang met grijze muren en tl-verlichting die zoemt als een zwerm insecten. Luna kent de weg. Ze loopt deze route bijna elke ochtend, met haar gedachten nog half in dromenland. Maar vandaag is anders. Vandaag loopt er een mogelijke tijdreiziger achter haar aan. Aan het einde van de gang is een deur met een bordje PERSONEEL.

Luna laat hen naar binnen. De personeelsruimte is het tegenovergestelde van de sprookjeswereld daarbuiten: zielloos, functioneel, zonder magie. Lockers met deuken en krassen in het metaal. Een wastafel met een zeepdispenser die altijd leeg is. Een koffieapparaat dat zuchtend modderwater produceert. Enkele tafeltjes en stoelen staan verspreid door de ruimte. Drie collega's zitten over hun ontbijt gebogen, hun gezichten verlicht door het blauwe schijnsel van hun telefoons. Niemand kijkt op.

Luna bergt haar rugzak in haar kluisje. Ze draait aan het cijferslot — klik, klik, klik — en trekt het deurtje open. Ze zet haar tas erin en haalt het groene hesje eruit, dat ze over haar t-shirt trekt. Het logo van de grijnzende elf staart haar aan, een beetje vervaagd na talloze wasbeurten.

Will staat een paar meter verderop. Hij lijkt ontspannen, met handen in zijn zakken en zijn schouders laag, maar zijn blik is oplettend.

De deur zwaait open.

Luna draait zich om en verstijft.

Verrassing…

Vince stapt binnen alsof hij de hoofdrol speelt in zijn eigen bedrijfsvideo. Keurig gestreken polo met het parklogo, glimmend gepoetste schoenen die tikken op de vloertegels, een tablet onder zijn arm geklemd alsof het een verlengstuk van zijn lichaam is. Zijn ogen scannen de ruimte, op zoek naar dingen die niet kloppen. En daar vindt hij er eentje: Will.

"Goedemorgen, Lina." Zijn stem is vlak. Zakelijke beleefdheid, meer niet.

"Goedemorgen, Vince."

Vince’s blik verschuift van Luna naar Will en blijft daar hangen. Hij fronst licht. "En wie is dit?"

Luna's schouders spannen zich. "Dit is Will. Mag hij misschien een ochtendje met me meelopen? Als vrijwilliger?"

Vince's gezicht blijft uitdrukkingsloos. “Nee, dat mag hij niet.” Hij draait zich naar Will. "Als je geïnteresseerd bent in vrijwilligerswerk, kun je op onze website het formulier invullen. Dan maken we een afspraak." Zijn stem wordt scherper. "En als je gewoon het park in wilt, koop je net als iedereen een entreebewijs. Bij de kassa. We zijn geen liefdadigheidsinstelling.”

Will lijkt hier even over na te denken. Dan graait hij in zijn broekzak en tovert zijn internationale muntencollectie weer tevoorschijn: euro's, ponden, dollars, dingen die eruitzien alsof ze uit een piratenfilm komen. Hij steekt zijn open handpalm uit naar Vince. "Kan ik hiermee een entreebewijs kopen?”

De tl-verlichting zoemt. Iemand gaapt. Het koffieapparaat pruttelt voort. Vince staart naar de munten alsof Will hem net een dode vis heeft aangeboden.

"Is dit een grap?" Zijn stem krijgt een scherp randje. "Want ik heb hier geen tijd voor."

Luna draait zich snel naar Will. "Is dat alles wat je bij je hebt?" fluistert ze.

Will stopt de munten terug in zijn zak en opent zijn mond, waarschijnlijk om iets te zeggen, maar Vince is hem voor.

"Ben je op zoek naar een baan?" Vince tilt zijn tablet op en begint erop te tikken, zijn vingers irritant snel en efficiënt. "We hebben op korte termijn een nieuwe ijsverkoper nodig. Heb je ervaring in de horeca?”

“Ja. Heel veel ervaring.”

Vince kijkt op van zijn scherm. "Als je interesse hebt, mag je vandaag proefdraaien met Alex."

Luna zet een stap naar voren. "Sorry, ik denk dat er een misverstand is, Will is hier niet om—”

Maar Will onderbreekt haar. "IJsverkoper. Klinkt als een droom."

Nee, nee, nee.

"Goed." Vince steekt zijn hand uit. "Vince de Graaf. Manager."

"Will." Hij schudt zelfverzekerd Vince’s hand. "Aangenaam.”

De andere personeelsleden kijken nu ook op, nieuwsgierig naar hun potentiële nieuwe collega. "En nu ik jullie aandacht toch heb,” zegt Vince tegen zijn ondergeschikten, “we hebben na alle regen van gisteravond te maken met wat wateroverlast op het terrein.” Hij tikt op zijn tablet zonder op te kijken. “We gaan daar geen drama van maken. We zorgen dat het park eruitziet zoals het hoort, ongeacht het weer. Bezoekers betalen voor een sprookjesachtige beleving, niet voor excuses.”

Niemand reageert. Dat hoeft ook niet; Vince verwacht geen antwoord, hij verwacht gehoorzaamheid.

Hij loopt naar een kapstok bij de deur waar reservehesjes aan haken hangen. In hetzelfde donkergroen als dat van Luna, met de grijnzende elf-mascotte erop. Hij trekt er eentje van de haak en reikt het uit aan Will, die het aanpakt.

"Trek aan," zegt Vince.

Will houdt het hesje even voor zich uit alsof hij de maat inschat en trekt het dan over zijn hoofd. Het zit strak over zijn schouders. Net iets te krap, maar het past. Hij trekt het recht en kijkt naar Luna met een blik die ze niet kan plaatsen.

Vince knikt goedkeurend. "Mooi. Aan het einde van de dag hoor ik van je of je officieel wilt solliciteren. Dan volgen we de formele procedure.”

Will glimlacht breed en klopt Vince op zijn schouder. "Bedankt voor het vertrouwen, Vince. Je zult er geen spijt van krijgen.”

Luna draait zich naar hem toe, haar ogen groot en vragend. Maar Will lijkt het niet te merken. Of hij negeert het expres.

"Goed. Zo’n instelling waardeer ik." Vince gebaart naar de deur. "Kom mee. Ik geef je een rondleiding door het park en laat je daarna de ijssalon zien. Alex zal je verder inwerken zodra hij er is.”

"Ik kan dat doen," zegt Luna snel en haar stem klinkt gretiger dan ze had gewild. "Zal ik hem rondleiden?” Het is een wanhopige poging om haar plan te redden. Haar plan was: zij houdt Will in de gaten, stelt hem vragen, ontdekt wat hij zoekt en bewijst dan hopelijk dat hij een tijdreiziger is. Niet… dit.

"De toiletten bij de ingang," onderbreekt Vince haar, zonder op te kijken van zijn tablet. Zijn vingers tikken al weer, scrollend door wat waarschijnlijk zijn takenlijst voor vandaag is. "Er hangt een vreselijke rioollucht omheen. Begin daar. Daarna de rest van je schema afwerken."

Kak.

Letterlijk.

Luna's handen ballen zich tot vuisten langs haar zij. “Wat moet ik doen aan een rioollucht? Ik ben geen loodgieter.”

Vince's kaak spant zich. Zijn vingers stoppen met tikken op het scherm, één seconde, twee seconden, en hervatten dan, iets harder dan nodig. "Als het iets is dat je niet zelf op kunt lossen, dan meldt je het bij mij. Maar kijk er eerst naar. Dat is je werk.”

"Oké," zegt ze.

“Welkom in Wonderwoud, Will.” Vince leidt hem naar een deur aan de andere kant van de ruimte. “Familiebedrijf. Mijn vader draagt het na dit seizoen aan mij over.” Vince tikt iets weg op zijn tablet en zwaait de buitendeur open. “Ik heb grootse plannen voor hervorming en kostenefficiëntie. Maar er zal altijd ijs verkocht moeten worden.”

Ze stappen naar buiten, richting het hart van het park, het horecapleintje met de ijssalon, waar Luna niet kan zijn om hem in de gaten te houden.

Will kijkt over zijn schouder naar Luna. Hun blikken kruisen. Hij haalt even verontschuldigend zijn schouders op en dan is hij weg. De deur valt achter hen dicht.

Luna blijft achter in de personeelsruimte en staart naar de gesloten deur. Ze zucht en draait zich om naar het schoonmaakhok in de hoek. Ze pakt een emmer, een grijper, een vuilniszak en laadt ze op de kar. Haar bewegingen zijn mechanisch en geoefend door wekenlange herhaling, maar haar gedachten razen. Ik vang flarden op: Waarom deed hij dat? Hij moet iets van plan zijn. Maar wat? En hoe ga ik hem nu in de gaten houden?

KLETS!

BONK!

Rinkel-de-kinkel-CRASH!

Mijn ogen vliegen open. Ik laat de seleniet uit mijn handpalm vallen alsof het een gloeiend heet kooltje is en het klettert op de tafel.

"Lot?" roep ik, terwijl ik opsta uit mijn stoel. "Lot, wat ben je aan het doen?"

Stilte.

Verdacht.

Ik snuif de lucht op. De geur van wierook en boeken is vermengd met iets anders. Iets metaalachtigs…

Bloed.

Ik weet niet waar het vandaan komt.

"Lot? Kat van me?”

Nog meer stilte.

Ik loop door de winkel, tussen de tapijten en poefs door. Dan hoor ik een zachte "miauw" vanachter het schap met mijn kruidenverzameling. Ik versnel mijn pas.

Oh, vuur en as! Lot zit midden in de chaos. Om haar heen liggen glazen potjes, sommige nog heel, andere aan scherven. De inhoud ligt verspreid over de houten vloer: gedroogde kruiden, fijn poeder en een groene vloeistof die langzaam naar de plinten sijpelt.

"Lot!" Ik hurk neer, voorzichtig om niet met mijn blote voeten in de rotzooi te stappen. "Wat heb je gedaan, monster van me?”

Ze is ongedeerd, dat zie ik meteen. Op die nietsverhullende witte vacht zou zelfs de kleinste druppel bloed zich verraden. En geloof me, als Lot pijn had, zou je het weten. Een keer had ze een piepklein doorntje in haar poot en het gepiep was aan de overkant van de straat te horen. Ze deed alsof ze op sterven lag. Drie dagen lang.

Lot kijkt me aan met die grote blauwe ogen van haar. Volkomen onschuldig. Ik? Nee hoor. Dit was hier al.

"Leugenaar," mompel ik, maar ik kan niet boos op haar zijn. Ik bedoel, kijk naar d’r.

Ik begin de potjes te verzamelen. Eens kijken wat de schade is. Sluimerkruid voor een goede nachtrust, dat kan ik opvegen. En dit… ik pak een groter potje op dat gelukkig nog heel is. Het etiket is in mijn eigen handschrift geschreven, een beetje uitgelopen van ouderdom. Drakenmunt, voor moed en zelfvertrouwen. Een beetje pittig van smaak, maar effectief, voor eventjes dan.

Ik zet het voorzichtig terug op de middelste plank in de kast, tussen de kalmerende kruiden en de—

Mijn hand blijft even hangen.

Ik staar naar de plank. Naar de lege ruimte tussen de drakenmunt en het sluimerkruid. Er ontbreekt iets. Maar wat?

Ik probeer het me voor de geest te halen. Dit is de plank voor de krachtige kruiden en brouwsels, de spullen waar je voorzichtig mee moet zijn, die je niet zomaar aan de eerste de beste klant meegeeft. Ik verkoop ze alleen aan trouwe klanten die weten wat ze ermee doen. Met instructies. Met waarschuwingen.

Was het een potje stuiterbalsem? Nee, dat heb ik laatst verplaatst. Misschien een zakje gedroogde vergetelnetel?

Ah, vergetelnetel. Helpt je vergeten wat je je niet meer wilt herinneren. Een eetlepel gemengd met een glas wijn, opgedronken terwijl je nog één allerlaatste keer heel hard denkt aan wat je wilt vergeten. En dan… poef. Weg. Alsof het nooit gebeurd is. Je voelt je weer lichter dan ooit.

Ik heb ooit met dat zakje in mijn handen gestaan. Klaar om iets duisters uit mijn verleden uit te wissen. De wijn stond al klaar, de lepel lag op tafel. Maar toen besefte ik iets: als je de pijn uitwist, wis je ook de wijsheid uit. De les die je geleerd hebt. Dus zette ik het zakje terug op de plank. Soms moet je de schaduw omarmen om het licht te waarderen.

De wijn heb ik wel opgedronken.

Maar vergetelnetel is het niet wat ontbreekt. Wacht.

Duivelsadem.

Een koude rilling loopt over mijn rug.

Het flesje. Het kleine flesje van donker glas met de kurken stop, waarin een melkachtige nevel rusteloos rondkolkte alsof het zocht naar een uitweg. Duivelsadem is geen vloeistof, het is een nevel. Zo zeldzaam dat de meeste mensen niet eens weten dat het bestaat. Een klein snufje inademen brengt je in een diepe, volledige hypnose. Alleen bedoeld voor vertrouwde genezers die een patiënt willen helpen die op geen andere manier te bereiken is.

Een heel flesje zou voldoende zijn om een menigte te bedwelmen. En dat flesje, dat kleine flesje met zijn rondkolkende mist, is weg.

Dit is niet goed. Dit is helemaal niet goed. Het kan niet zomaar verdwenen zijn. Iemand moet het meegenomen hebben.

Ik voel me ongelooflijk dom. Ik had zoiets krachtigs nooit onbeheerd op de plank moeten laten staan, niet hier in de winkel waar iedereen erbij kan. Ik had er een veiligere plek voor moeten zoeken, ergens achter slot en grendel, in de kluis in de achterkamer bijvoorbeeld. Maar het stond er al jaren zonder dat iemand er ooit naar keek of ernaar vroeg. Het was onzichtbaar geworden, een deel van het meubilair. Tot nu.

Ik kijk naar beneden. Lot zit me nog steeds aan te staren met die grote ogen, haar staart keurig om haar poten gewikkeld.

“Sorry. Jij was het niet, hè?” Ik aai Lot over haar kop. “Er was hier iemand.”

"Miauw."

"Kom, laten we deze troep opruimen.”

Ik loop naar de kast achter de toonbank en pak de stoffer en blik die ik daar altijd bewaar, omdat er wel vaker iets aan diggelen valt in een winkel vol glazen potjes en een kat met de gratie van een bowlingbal. De scherven rinkelen terwijl ik ze bij elkaar schuif. Het poeder plakt aan de haren van de stoffer. De groene vloeistof laat een veeg achter op het hout die ik later met een natte doek weg moet zien te krijgen.

En dan zie ik het. Tussen het poeder en de restanten van een gebarsten potje ligt iets dat daar niet hoort.

Iets hoekigs, met een ivoorachtige kleur. Ik zet de stoffer neer en reik ernaar.

Een tand. Scherp, gebogen, iets langer dan mijn pink. Geen echte tand; het materiaal is te licht en te glad. Latex, of rubber, of iets dergelijks. Mijn maag draait zich om. Ik heb deze tand al eens gezien, ingeklemd tussen monsterlijke kaken, in een masker dat me aanstaarde met holle ogen vol duisternis.

Lot miauwt zacht. Haar blauwe ogen zijn groot en alert. Mijn hand beeft zachtjes terwijl ik haar vacht streel. Ze weet het, en nu weet ik het ook: “Die engerd was hier."


Bedankt voor je aandacht! #

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je dan in of volg me om mijn werk te steunen. Ik vind het ook altijd leuk om een berichtje van je te ontvangen!

Lees je liever in het Engels? Er is ook een Engelse vertaling beschikbaar. Klik bovenaan deze pagina op 'Also available in English'.

Bekijk mijn About pagina voor meer info.

💜 - Jasmine


Copyright © 2026 Jasmine Rovik. Alle rechten voorbehouden. Alle teksten en andere inhoud op deze website zijn eigendom van de auteur. Het is niet toegestaan materiaal te kopiëren, te reproduceren, te verspreiden of op enige wijze te gebruiken zonder voorafgaande schriftelijke toestemming. Wil je iets citeren of gebruiken? Neem dan gerust contact op.

© All rights reserved - jasmine-rovik

RSS

Letters

Private notes between readers and the author. Only published letters appear here for everyone; otherwise just the two correspondents see them.

Log in to write the author a private letter.