Hoofdstuk 1 #

Een misgelopen eerste kus. Een hond die een belangrijke brief steelt en hem onder een bank verstopt. Iemand die een taart laat vallen. Dat soort dingen. Bij de sterren, laat het zoiets zijn.
Maar ik weet wel beter.
Als een verhaal zich aandient, is dat meestal omdat er ergens, in een of andere uithoek van het omniversum, iets gruwelijks staat te gebeuren. Verhalen komen niet naar mensen zoals ik om verslag te doen van een rustige zondagmiddag in iemands moestuin. Ze komen omdat er iets op het spel staat en omdat er iemand nodig is die alles vastlegt.
Ik zucht en staar uit het raam van mijn slaapkamer. Stofjes dwarrelen in de baan ochtendzon die door het raam naar binnen valt. En kattenharen, natuurlijk. Altijd kattenharen.
Buiten in de straat is het nog rustig. De bakker aan de overkant opent zijn luiken. Verderop klinkt het zachte gerinkel van een sleutelbos, gevolgd door de doffe dreun van een deur die in het slot valt.
En ergens loopt een meisje rond dat nog geen idee heeft dat ze zojuist het middelpunt geworden is van een verhaal dat ik moet gaan vertellen, of we nu willen of niet.
Sterren en manen. Ik heb nog niet eens ontbeten.
Oké. Tijd om mezelf bij elkaar te rapen.
Ik schuifel naar mijn kaptafel en laat me op het krukje zakken. Ik grijp mijn borstel en trek hem door mijn lange zwarte haar dat nog vochtig is van het wassen.
Dan het kohlpotlood. Nog maar een klein stompje over. Ik moet een nieuwe kopen, maar dat neem ik me al twee weken voor. Ik draai het zorgvuldig tussen mijn vingers, leun naar de spiegel en trek een dikke lijn rondom mijn ogen. Boven en onder. Dik genoeg om mijn goudbruine ogen intens en doordringend te laten lijken, alsof ik dwars door je heen kan kijken. Wat ik soms ook kan, maar dat komt niet door de kohl.
Een vleugje paarse oogschaduw op mijn oogleden en tot slot donkerrode lippenstift. Ik druk mijn lippen op elkaar, rol ze uit, en bekijk het resultaat.
Et voilà: Madame Mayra.
"Miauw."
Dat is Lot. Ze springt op de kaptafel en gaat met haar witte, pluizige achterwerk pontificaal op mijn poederdoos zitten.
"Lot. Voorzichtig."
Ik duw haar zachtjes opzij. Ze laat zich verplaatsen en kijkt me dan verontwaardigd aan met haar helderblauwe ogen. Hoe durf je.
Ik aai even over haar kop als verontschuldiging. Ja, het is een cliché, ik weet het. Maar een zieneres zonder kat is als een verteller zonder verhaal. En dat — laten we eerlijk zijn — was ik veel te lang.
Ik sta op van het krukje en klop Lots haren van mijn schoot. Tevergeefs, natuurlijk. Mijn lange jurk van nachtblauw fluweel is zo'n beetje het slechtst denkbare oppervlak voor witte haren, en Lot weet dat. Ik zweer het je, ze weet het.
De schuldige gaat me al voor naar de keuken, met haar staart opgewekt in de lucht.
Mijn keuken is klein. Zó klein dat ik er nauwelijks m'n kont in kan keren, maar dat geeft niet, want ik ben toch nooit een keukenprinses geweest. Drie kastjes, een fornuis, een aanrecht waar precies één snijplank op past als je het vriendelijk vraagt. Meer heb ik niet nodig.
Ik zet de oude koperen fluitketel op het fornuis en draai het gas aan. Het vlammetje flakkert op met een zachte woesj.
Nu een kopje.
Ik open het keukenkastje. Geen kopjes. Alleen mijn sterrenkruid en drakenmunt in glazen potjes, mijn voorraad losse thee, en een hele rij antieke likeurglaasjes die ik van mijn oma erfde. Net als de oude fluitketel. Net als het recept voor maanbessenlikeur dat ik nog steeds niet zo goed maak als zij. Eigenlijk heb ik bijna alles in mijn leven van oma geërfd. Alles wat ertoe doet, in elk geval.
Bonk.
Lot geeft mijn kuit een harde kopstoot.
"Rustig maar."
Ik schep brokjes in haar bakje en giet wat kattenmelk op een schoteltje. "Eet smakelijk, Lotje."
Vijf jaar geleden sloop ze als verloren zwerfkitten mijn winkel binnen. Nat, vies en mager. Een van de vele verloren zielen die hun weg hierheen weten te vinden. Lot mocht blijven, bij uitzondering. De rest van mijn bezoekers stuur ik altijd weer naar huis, al zitten er altijd wel een paar tussen die graag zouden blijven plakken.
Op de hoek van de keukentafel staat een mok met een restje koude thee van gisteren, een bijna opgedroogd laagje op de bodem. Ik tuur erin, al is theebladeren lezen niet mijn grootste talent. Een hoed? Een paddenstoel? Een waarschuwing dat ik mijn thee niet koud moet laten worden? Waarschijnlijk dat laatste.
Ik staar ongeduldig naar de fluitketel.
Mijn droom van vannacht spookt nog door mijn hoofd. Intense dromen heb ik vaker, risico van het vak, maar mijn droom van vannacht was anders. Het was niet mijn droom.
Het was de droom van een jonge vrouw. Ze stond tot aan haar enkels in de modder en hoe harder ze probeerde los te komen, hoe dieper ze wegzakte. Haar gezelschap liep gewoon door. Ik zag alleen rugzakken, achterhoofden, schimmen die kleiner werden tussen de bomen. Niemand keek om.
"Help," riep ze. "Ik zit vast." Maar haar stem was niet meer dan een fluistering.
Toen scheurde de grond onder haar open en raakte ze in vrije val. Recht het niets in. Een duistere leegte zonder bodem. Ik schoot rechtop in mijn bed en het duurde een hele lange seconde voor ik zeker wist dat het mijn eigen plafond was waar ik naar staarde, en niet die allesverslindende leegte.
Of zij ook wakker schoot op dat moment, dat weet ik niet. Ik hoop het.
Ik ken het patroon: eerst de droom, dan de visioenen. De eerste droom is als het kloppen op de deur voordat je opendoet. Negeren is zinloos. Dan zal het kloppen alleen maar overgaan in luid gebonk en gedreun, en als ik dan nóg geen gehoor geef, dan walst het verhaal gewoon naar binnen alsof die deur maar een formaliteit is.
"We kiezen onze verhalen niet, Mayra, ze kiezen ons." Dat zei mijn oma altijd, met die rustige stem van haar.
De fluitketel begint te zingen.
Ik spoel de mok om, doe er een nieuw zakje in, en giet er heet water overheen. Ik neem me voor om deze kop thee het lot van zijn vele voorgangers te besparen — koud geworden, vergeten, en verlaten in een willekeurig hoekje.
We zullen zien.
Met mijn dampende mok in mijn hand loop ik richting de trap naar de winkel beneden.
De trap kraakt vertrouwd onder mijn blote voeten. Beneden aangekomen trek ik mijn schoenen aan en duw ik de tussendeur open.
Let niet op het geluid.
Ieeeeeee — KRIIIK — ieeeee.
Tada.
Dit is De Juiste Plek. Welkom.
Ik heb die naam niet verzonnen, dat was oma. Subtiel was ze niet. Buiten voor de gevel hangen nog haar handbeschilderde reclameborden, de verf hier en daar afgebladderd, met teksten als "Het antwoord wacht binnen!" en "Dit is je teken!" en mijn favoriet: "Ja, jij daar." Met een pijl naar de deur.
Ik heb ze laten hangen. Ze lokken nieuwe klanten naar binnen, en als iets werkt, dan werkt het.
Je herkent ze meteen, die nieuwe klanten. Bij binnenkomst blijven ze altijd even in de deuropening staan. Ogen groot, mond half open, alsof ze in een andere wereld zijn beland. Het begint al met de geur die ze tegemoetkomt: een mengsel van wierook, gedroogde kruiden en oude boeken. Ik zou willen dat ik het je kon laten ruiken. Stel je iets voor wat tussen een herfstbos, een antiek boekenkastje en een exotische bazaar in zit. Dan heb je het bijna.
Nou, kom verder en kijk je ogen uit.
Dikke tapijten in dieprode en paarse tinten bedekken de houten planken.
Oma heeft ze ooit meegenomen uit verre oorden en ieder exemplaar heeft een eigen karakter. Mijn favoriet is deze grote hier, in het midden. Versierd met scenes uit een eeuwenoude legende: helden met zwaarden, mythische wezens met te veel ogen, en ergens in de hoek een oud mannetje dat we nooit hebben kunnen identificeren. Ik noem hem Bram.
Tussen de tapijten liggen kleurrijke kussens en poefs verspreid, alsof ze daar toevallig zijn neergegooid. Zijn ze niet.
Aan het plafond hangen antieke lantaarns die de hele winkel in een warme, oranjegouden gloed zetten.
De muren? Die zie je amper. Ze verdwijnen bijna volledig achter hoge kasten die tot aan het plafond reiken.
Sommige staan vol met boeken over astrologie, alchemie, kruidengeneeskunde en mythologie. Daartussen liggen doosjes met orakelkaarten. Sommige zijn zo zeldzaam dat verzamelaars van heinde en verre naar mijn winkel komen.
Andere kasten puilen uit met potjes en flessen met kruiden en drankjes. Eens zien…hier hebben we een brouwsel voor "Genezing van hartzeer" (werkt, maar niet zo snel als je zou willen). Daarnaast staan de zakjes met mijn kruidenmengsel voor "Verloren voorwerpen terugvinden" (werkt, maar brengt niet altijd terug wat je zocht). En in deze blauwe flesjes zitten oogdruppels, gelabeld: "Perfect zicht voor één dag." (Werkt. Punt.)
In het midden van de winkel staat de oude toonbank, omringd door glazen vitrinekasten. Achter het glas schuilen mijn schatten: edelstenen en mineralen uitgestald op fluweel. Ruwe amethist, gladde palmstenen van rozenkwarts en zwarte obsidiaan die je blik grijpt en niet meer loslaat. Seleniet, labradoriet, maansteen, tijgeroog. Ik ken ze allemaal bij naam alsof het oude vrienden van me zijn.
Oh, en laten we niet vergeten om even omhoog te kijken.
Boven de toonbank bungelen talismannen en amuletten aan dunne kettingen, op verschillende hoogtes. Ze tikken zachtjes tegen elkaar als de voordeur opengaat. Sommige brengen geluk, sommige geven bescherming, maar de meeste hangen er gewoon omdat ze mooi zijn.
Het is stil op dit uur. De winkel is nog gesloten en de straat buiten is rustig. Ik adem in.
De Juiste Plek. Mijn heiligdom.
Maar het echte hart van de magie? Dat is mijn leestafel. Het is een ronde tafel van donker hout, strategisch geplaatst in de rustigste hoek van de winkel met zicht op de voordeur.
Lot is er natuurlijk al. Ze springt elegant op het tafelblad, laveert tussen mijn spullen door en ploft neer op de uitgewaaierde orakelkaarten die ik gisteravond niet meer heb opgeruimd.
Ik zet mijn mok op de tafel en laat me zakken in de fauteuil. Oma’s oude troon. Hij kraakt met iedere beweging, het leer op de armleuningen is versleten, maar ik kan er geen afstand van doen.
Als je mijn klant was, zou ik je nu vragen om wat dichterbij te komen en tegenover me plaats te nemen. Daar, op die zachte poef met de gouden kwastjes. Maak het jezelf gemakkelijk.
Er zijn er genoeg die me een charlatan noemen, maar Madame Mayra is geen act. De meeste mensen die hier op de poef neerploffen, zitten daar omdat ze zich verloren voelen of voor een lastig dilemma staan. De meeste van hen verlaten mijn winkel met meer helderheid en zelfvertrouwen dan toen ze binnenkwamen. Niet omdat ik ze kant-en-klare antwoorden gaf, maar omdat ik ze hielp hun eigen antwoorden op te graven.
Het antwoord wacht binnen, zoals oma’s bord voor de gevel al verklapt, maar soms heb je gewoon wat hulp nodig om het te zien.
Maar hier is het ding. Mijn echte werk, mijn échte gave, is iets anders. Iets waar de meeste van mijn klanten niks van merken.
Ik ben een verteller. Niet een verteller die verhalen verzint, maar eentje die ze ontvangt. Het is een zeldzame gave en hij slaat altijd een generatie over. Mijn moeder had hem niet en daarom geloofde ze er ook niet in, ze vond het allemaal maar onzin. Maar mijn oma, Sybil was haar naam, was er ook een.
Oma leerde me alles. Hoe de visioenen werken. Hoe je ze niet moet wegduwen, want dan komen ze terug op een moment dat je ze het minst kunt gebruiken. Ze leerde me welke geuren en kruiden mijn innerlijk oog scherper maken, welke edelstenen kunnen helpen om afstand te bewaren en me niet in de beleving van mijn protagonist te verliezen. Ze leerde me hoe ik 's nachts kon slapen zonder dat zijn of haar problemen me wakker zouden houden.
En ze leerde me de vier wetten van het helderziend vertellersschap.
De Eerste: Wees een stille getuige. Grijp niet in. Laat het verhaal zich ontvouwen zonder inmenging, hoe verleidelijk het ook kan zijn om je protagonist te helpen.
De Tweede: Blijf ongezien. Laat je protagonist nooit merken dat je meekijkt. Zodra iemand weet dat hij de held van zijn eigen mythe is, gaat hij zich ernaar gedragen. En dan ligt het natuurlijke verloop van het verhaal meteen overhoop.
De Derde: Eén ziel wordt je toevertrouwd. Betreed nooit de geest van een ander dan je protagonist. Wat je gegeven wordt, is genoeg. Wat je neemt, is een overtreding.
De Vierde: Lees niet vooruit. De toekomst is een gesloten boek.
Ik hoor nog hoe oma ze keer op keer herhaalde. Altijd even rustig en vanzelfsprekend, op dezelfde toon waarop ze altijd zei dat ik m'n thee niet steeds koud moest laten worden en dat maanbessen alleen 's nachts geplukt mogen worden.
Maar er is nóg iets dat ze me gaf, misschien wel het allerbelangrijkste.
Daar.
Op de rand van de leestafel ligt een dik notitieboek met verweerde leren kaft. Daarboven zweeft een slanke blauwe vulpen met zilveren versieringen langs de schacht. De punt krast zachtjes over het papier. De inkt vloeit in sierlijke lussen en krullen, in mijn eigen handschrift, alsof ik daar zelf zit te schrijven. Maar ik zit hier. En de pen schrijft.
Wat hij schrijft, is wat je nu leest.
De pagina's slaan vanzelf om wanneer er een vol is. Ik hoef er niets voor te doen. Ik hoef er niet eens bij te zijn. De pen is niet aan deze winkel gebonden. Hij is aan mij gebonden en hij schrijft totdat ik “stop” zeg, of denk. Het maakt niet uit of ik nu beneden in mijn winkel zit of boven in mijn keuken sta of, in theorie, in een compleet andere wereld: Hij schrijft door.
Sterren en manen. Negen jaar.
Negen jaar lang heeft die pen stof staan vangen op mijn leestafel, en ik had me er stilletjes bij neergelegd dat het misschien zo zou blijven. Dat ik ervan af was.
Niet dus.
Nu heeft zich een nieuw verhaal aangediend. Met die jonge vrouw in de hoofdrol, dat meisje in de modder. En ze zou wel eens in gevaar kunnen zijn.
Lot rolt op haar zij op de orakelkaarten en doet haar ogen dicht. Nog één ding voor we beginnen. Ik open de lade van mijn leestafel, haal er een zwart fluwelen zakje uit en laat de inhoud op mijn handpalm glijden. Het is een gladde palmsteen van seleniet.
Brr, voelt koud. Oma zwoer bij seleniet, ze had altijd zo’n steen in de zak van haar gebreide vest zitten. Ik heb het ritueel overgenomen, voornamelijk omdat ik het fijn vind om iets in mijn hand te houden tijdens een visioen, alsof het een soort anker is dat me niet te ver laat afdwalen.
Goed.
Laten we beginnen. Ik sluit mijn ogen. Jij mag ze openhouden.
De droom was het kloppen op de deur. En dit… dit is het moment waarop ik de deur opendoe en het verhaal binnenlaat.
"Gave van mijn bloed, verscherp mijn zicht, reik door het duister en breng het ongeziene aan 't licht.”
Een diepe adem in. Een lange adem uit.
De geuren en geluiden van de winkel vervagen en maken plaats voor sensaties en gevoelens die niet van mij zijn. Herinneringen en mijmeringen. Flarden van gedachten komen binnen als gefluister dat ik maar net kan verstaan: Is het al bijna pauze?...Die paddenstoel heeft echt zijn beste tijd gehad…Waar ben ik toch mee bezig?…Ik ben éénentwintig en ik heb nog steeds geen idee…
Het is alsof ik in haar huid stap, alsof ik achter haar ogen naar buiten kijk en de wereld ervaar zoals zij dat doet. Niet naast haar, maar als haar, en toch op een afstand. Een dunne sluier die alleen ik kan voelen. Dat is mijn plek. Dat is de plek van een verteller. Dichtbij genoeg om alles te zien. Ver genoeg om te onthouden dat het niet over mij gaat.
Ik zink dieper, laat me door de stroom meevoeren en…daar is ze.
Bedankt voor je aandacht! #
Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je dan in of volg me om mijn werk te steunen. Ik vind het ook altijd leuk om een berichtje van je te ontvangen!
Lees je liever in het Engels? Er is ook een Engelse vertaling beschikbaar. Klik bovenaan deze pagina op 'Also available in English'.
Bekijk mijn About pagina voor meer info.
💜 - Jasmine
Copyright © 2026 Jasmine Rovik. Alle rechten voorbehouden. Alle teksten en andere inhoud op deze website zijn eigendom van de auteur. Het is niet toegestaan materiaal te kopiëren, te reproduceren, te verspreiden of op enige wijze te gebruiken zonder voorafgaande schriftelijke toestemming. Wil je iets citeren of gebruiken? Neem dan gerust contact op.